Soera 7 el-Araf (De Verheven Plaatsen), vers 148 – 157

  1. وَاتَّخَذَ قَوْمُ مُوسَىٰ مِنْ بَعْدِهِ مِنْ حُلِيِّهِمْ عِجْلًا جَسَدًا لَهُ خُوَارٌ ۚ أَلَمْ يَرَوْا أَنَّهُ لَا يُكَلِّمُهُمْ وَلَا يَهْدِيهِمْ سَبِيلًا ۘ اتَّخَذُوهُ وَكَانُوا ظَالِمِينَ

    En het volk van Moesa maakte tijdens zijn afwezigheid van hun sieraden de afbeelding van een kalf. Het maakte een geluid. Zagen zij dan niet dat het niet tot hen kon spreken noch dat het hen op de weg leidde? Zij namen het aan voor aanbidding en zij waren onrechtvaardig.

    7:148
  2. وَلَمَّا سُقِطَ فِي أَيْدِيهِمْ وَرَأَوْا أَنَّهُمْ قَدْ ضَلُّوا قَالُوا لَئِنْ لَمْ يَرْحَمْنَا رَبُّنَا وَيَغْفِرْ لَنَا لَنَكُونَنَّ مِنَ الْخَاسِرِينَ

    En toen zij spijt hadden en zagen dat zij afgedwaald waren, (hadden) zij (berouw) en zeiden: “Als onze Heer geen genade met ons heeft en ons niet vergeeft, zullen wij zeker tot de verliezers behoren.”

    7:149
  3. وَلَمَّا رَجَعَ مُوسَىٰ إِلَىٰ قَوْمِهِ غَضْبَانَ أَسِفًا قَالَ بِئْسَمَا خَلَفْتُمُونِي مِنْ بَعْدِي ۖ أَعَجِلْتُمْ أَمْرَ رَبِّكُمْ ۖ وَأَلْقَى الْأَلْوَاحَ وَأَخَذَ بِرَأْسِ أَخِيهِ يَجُرُّهُ إِلَيْهِ ۚ قَالَ ابْنَ أُمَّ إِنَّ الْقَوْمَ اسْتَضْعَفُونِي وَكَادُوا يَقْتُلُونَنِي فَلَا تُشْمِتْ بِيَ الْأَعْدَاءَ وَلَا تَجْعَلْنِي مَعَ الْقَوْمِ الظَّالِمِينَ

    En toen Moesa boos en geschokt tot zijn volk terugkeerde, zei hij: “Wat jullie gedaan hebben tijdens mijn afwezigheid is een slechte zaak. Hebben jullie je gehaast en zijn jullie voorop gegaan in de zaak van jullie Heer?” En hij gooide de schriften neer en greep zijn broeder (bij de haren en zijn baard) van zijn hoofd en sleepte hem naar zich toe. Haaroen zei: “O, zoon van mijn moeder! Voorwaar, de mensen onderdrukte mij en wilden mij bijna vermoorden, Laat de vijand daarom niet over deze situatie verheugen en zet mij niet tussen de mensen die onrechtvaardig zijn.”

    7:150
  4. قَالَ رَبِّ اغْفِرْ لِي وَلِأَخِي وَأَدْخِلْنَا فِي رَحْمَتِكَ ۖ وَأَنْتَ أَرْحَمُ الرَّاحِمِينَ

    Moesa zei: “O mijn Heer! Vergeef mij en mijn broeder en laat ons toe tot Uw genade, want U bent de genadigste van allen die genade tonen.”

    7:151
  5. إِنَّ الَّذِينَ اتَّخَذُوا الْعِجْلَ سَيَنَالُهُمْ غَضَبٌ مِنْ رَبِّهِمْ وَذِلَّةٌ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا ۚ وَكَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُفْتَرِينَ

    Zeker, degenen die het kalf namen, daar zal de toorn en de vernedering van hun Heer over heen komen in het leven van deze wereld. Dus Wij vergelden degenen die leugens verzinnen.

    7:152
  6. وَالَّذِينَ عَمِلُوا السَّيِّئَاتِ ثُمَّ تَابُوا مِنْ بَعْدِهَا وَآمَنُوا إِنَّ رَبَّكَ مِنْ بَعْدِهَا لَغَفُورٌ رَحِيمٌ

    Maar degenen die kwade daden begaan en daarna berouw vertonen en geloven, waarlijk, jullie Heer is de meest Genadevolle, de meest Barmhartige.

    7:153
  7. وَلَمَّا سَكَتَ عَنْ مُوسَى الْغَضَبُ أَخَذَ الْأَلْوَاحَ ۖ وَفِي نُسْخَتِهَا هُدًى وَرَحْمَةٌ لِلَّذِينَ هُمْ لِرَبِّهِمْ يَرْهَبُونَ

    En toen de woede van Moesa gezakt was, pakte hij de schriften en in hun inscriptie was leiding en genade voor degenen die hun Heer vrezen.

    7:154
  8. وَاخْتَارَ مُوسَىٰ قَوْمَهُ سَبْعِينَ رَجُلًا لِمِيقَاتِنَا ۖ فَلَمَّا أَخَذَتْهُمُ الرَّجْفَةُ قَالَ رَبِّ لَوْ شِئْتَ أَهْلَكْتَهُمْ مِنْ قَبْلُ وَإِيَّايَ ۖ أَتُهْلِكُنَا بِمَا فَعَلَ السُّفَهَاءُ مِنَّا ۖ إِنْ هِيَ إِلَّا فِتْنَتُكَ تُضِلُّ بِهَا مَنْ تَشَاءُ وَتَهْدِي مَنْ تَشَاءُ ۖ أَنْتَ وَلِيُّنَا فَاغْفِرْ لَنَا وَارْحَمْنَا ۖ وَأَنْتَ خَيْرُ الْغَافِرِينَ

    En Moesa koos uit zijn mensen zeventig mensen voor Onze aangewezen tijd en toen zij door een aardbeving getroffen werden zei hij: “O, mijn Heer, als het Uw wil is, kon U hen vernietigd hebben en mij; zult U ons voor de daden van dwazen, die onder ons zijn, vernietigen? Het is slechts Uw beproeving, waardoor U degene die U wilt, laat dwalen en degene die U wilt, recht leidt. U bent onze beschermheer, vergeef ons dus en heb genade met ons, want U bent de beste van degene die vergeeft.

    7:155
  9. وَاكْتُبْ لَنَا فِي هَٰذِهِ الدُّنْيَا حَسَنَةً وَفِي الْآخِرَةِ إِنَّا هُدْنَا إِلَيْكَ ۚ قَالَ عَذَابِي أُصِيبُ بِهِ مَنْ أَشَاءُ ۖ وَرَحْمَتِي وَسِعَتْ كُلَّ شَيْءٍ ۚ فَسَأَكْتُبُهَا لِلَّذِينَ يَتَّقُونَ وَيُؤْتُونَ الزَّكَاةَ وَالَّذِينَ هُمْ بِآيَاتِنَا يُؤْمِنُونَ

    En bepaal voor ons het goede in de wereld en in het hiernamaals. Zeker, wij wenden ons tot U.” Hij zei: “Mijn bestraffing laat Ik treffen wie Ik wil en Mijn genade omvat alles. Dat zal Ik schenken aan degenen die godvrezendzijn en zakaat geven en degenen die in Onze tekenen geloven.

    7:156
  10. الَّذِينَ يَتَّبِعُونَ الرَّسُولَ النَّبِيَّ الْأُمِّيَّ الَّذِي يَجِدُونَهُ مَكْتُوبًا عِنْدَهُمْ فِي التَّوْرَاةِ وَالْإِنْجِيلِ يَأْمُرُهُمْ بِالْمَعْرُوفِ وَيَنْهَاهُمْ عَنِ الْمُنْكَرِ وَيُحِلُّ لَهُمُ الطَّيِّبَاتِ وَيُحَرِّمُ عَلَيْهِمُ الْخَبَائِثَ وَيَضَعُ عَنْهُمْ إِصْرَهُمْ وَالْأَغْلَالَ الَّتِي كَانَتْ عَلَيْهِمْ ۚ فَالَّذِينَ آمَنُوا بِهِ وَعَزَّرُوهُ وَنَصَرُوهُ وَاتَّبَعُوا النُّورَ الَّذِي أُنْزِلَ مَعَهُ ۙ أُولَٰئِكَ هُمُ الْمُفْلِحُونَ

    Zij die de boodschapper – de ongeletterde Profeet Mohammed vrede en zegeningen zij met hem en alle profeten – volgen, die zij in de Thora en het Evangelie beschreven vinden. Hij die hen de goede dingen veroorlooft en het slechte verbiedt. Hij die hen ontheft van de last en de ketenen die hen bonden. Zij die in hem geloven en hem eren en ondersteunen en het licht dat met hem is nedergezonden volgen, zullen zeer zeker slagen.

    7:157

Vertaling: Nederlands Islamitisch Centrum