Soera 7 el-Araf (De Verheven Plaatsen), vers 103 – 114
-
ثُمَّ بَعَثْنَا مِنْ بَعْدِهِمْ مُوسَىٰ بِآيَاتِنَا إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَمَلَئِهِ فَظَلَمُوا بِهَا ۖ فَانْظُرْ كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الْمُفْسِدِينَ
Na hen stuurden Wij Moesa met Onze tekenen naar de Farao en zijn leiders, maar zij verwierpen hen valselijk. Zie dus hoe het einde van de verderfzaaiers is.
7:103 -
وَقَالَ مُوسَىٰ يَا فِرْعَوْنُ إِنِّي رَسُولٌ مِنْ رَبِّ الْعَالَمِينَ
En Moesa zei: “O Farao! Ik ben een boodschapper van de Heer van de wereldwezens.
7:104 -
حَقِيقٌ عَلَىٰ أَنْ لَا أَقُولَ عَلَى اللَّهِ إِلَّا الْحَقَّ ۚ قَدْ جِئْتُكُمْ بِبَيِّنَةٍ مِنْ رَبِّكُمْ فَأَرْسِلْ مَعِيَ بَنِي إِسْرَائِيلَ
Juist is het voor mij niets anders over Allah te zeggen dan de waarheid. Voorwaar, ik ben tot u gekomen met een duidelijk bewijs van mijn Heer. Laat de kinderen van Israël dus met mij vertrekken.”
7:105 -
قَالَ إِنْ كُنْتَ جِئْتَ بِآيَةٍ فَأْتِ بِهَا إِنْ كُنْتَ مِنَ الصَّادِقِينَ
(De Farao) zei: “Als je met een teken komt, laat het zien – als je één van degene bent die de waarheid vertelt.”
7:106 -
فَأَلْقَىٰ عَصَاهُ فَإِذَا هِيَ ثُعْبَانٌ مُبِينٌ
Toen gooide (Moesa) zijn staf en zie! Het was duidelijk een slang.
7:107 -
وَنَزَعَ يَدَهُ فَإِذَا هِيَ بَيْضَاءُ لِلنَّاظِرِينَ
En hij stak zijn hand uit en zie! Het was wit voor de toeschouwers.
7:108 -
قَالَ الْمَلَأُ مِنْ قَوْمِ فِرْعَوْنَ إِنَّ هَٰذَا لَسَاحِرٌ عَلِيمٌ
De leiders van de mensen van de Farao zeiden: “Dit is zeker een goed onderrichte tovenaar;
7:109 -
يُرِيدُ أَنْ يُخْرِجَكُمْ مِنْ أَرْضِكُمْ ۖ فَمَاذَا تَأْمُرُونَ
Hij wil dat jullie allen uw land verlaten, wat is jullie advies?”
7:110 -
قَالُوا أَرْجِهْ وَأَخَاهُ وَأَرْسِلْ فِي الْمَدَائِنِ حَاشِرِينَ
Zij zeiden: “Houd hem en zijn broeder tegen en stuur omroepers naar de steden en verzamel.
7:111 -
يَأْتُوكَ بِكُلِّ سَاحِرٍ عَلِيمٍ
Dat zij de goed onderrichte tovenaars naar u brengen.”
7:112 -
وَجَاءَ السَّحَرَةُ فِرْعَوْنَ قَالُوا إِنَّ لَنَا لَأَجْرًا إِنْ كُنَّا نَحْنُ الْغَالِبِينَ
En dus kwamen de tovenaars naar de Farao. Zij zeiden: “Voorwaar, er zal een goede beloning voor ons zijn als wij de overwinnaars zijn.”
7:113 -
قَالَ نَعَمْ وَإِنَّكُمْ لَمِنَ الْمُقَرَّبِينَ
Hij zei: “Ja, en nog meer, jullie zullen (mijn) naasten zijn.”
7:114
Vertaling: Nederlands Islamitisch Centrum