Soera 7 el-Araf (De Verheven Plaatsen), vers 10 – 25

  1. وَلَقَدْ مَكَّنَّاكُمْ فِي الْأَرْضِ وَجَعَلْنَا لَكُمْ فِيهَا مَعَايِشَ ۗ قَلِيلًا مَا تَشْكُرُونَ

    En zeker, Wij gaven jullie gezag over de aarde en wezen voor jullie daarin levensonderhoud aan. Weinig is de dank die jullie geven.

    7:10
  2. وَلَقَدْ خَلَقْنَاكُمْ ثُمَّ صَوَّرْنَاكُمْ ثُمَّ قُلْنَا لِلْمَلَائِكَةِ اسْجُدُوا لِآدَمَ فَسَجَدُوا إِلَّا إِبْلِيسَ لَمْ يَكُنْ مِنَ السَّاجِدِينَ

    En zeker, Wij hebben jullie geschapen en hebben jullie vorm gegeven. Toen hebben Wij de engelen verteld: “Kniel neer voor Adam,” en zij knielden neer, behalve Iblies: hij weigerde om één van de knielenden te zijn.

    7:11
  3. قَالَ مَا مَنَعَكَ أَلَّا تَسْجُدَ إِذْ أَمَرْتُكَ ۖ قَالَ أَنَا خَيْرٌ مِنْهُ خَلَقْتَنِي مِنْ نَارٍ وَخَلَقْتَهُ مِنْ طِينٍ

    (Allah) zei: “Wat weerhoud je ervan om te knielen wanneer Ik jou dat beveel?” Iblies zei: “Ik ben beter dan hem. Mij heeft U uit vuur geschapen terwijl U hem uit klei hebt geschapen.”

    7:12
  4. قَالَ فَاهْبِطْ مِنْهَا فَمَا يَكُونُ لَكَ أَنْ تَتَكَبَّرَ فِيهَا فَاخْرُجْ إِنَّكَ مِنَ الصَّاغِرِينَ

    (Allah) zei: “Daal af uit dit paradijs, het is niet aan jou om hier hooghartig te zijn. Verdwijn, want jij bent iemand van degene die vernederd en verworpen is.”

    7:13
  5. قَالَ أَنْظِرْنِي إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ

    (Iblies) zei: “Geef mij uitstel tot de dag waarop zij allen herrijzen.”

    7:14
  6. قَالَ إِنَّكَ مِنَ الْمُنْظَرِينَ

    (Allah ) zei: “Jij bent één van degenen die uitstel heeft gekregen (tot aan de eerste bazuinstoot).”

    7:15
  7. قَالَ فَبِمَا أَغْوَيْتَنِي لَأَقْعُدَنَّ لَهُمْ صِرَاطَكَ الْمُسْتَقِيمَ

    (Iblies) zei: “En omdat U mij hebt doen dwalen, zal ik hen (de kinderen van Adam) zeker opwachten aan de rechte weg (dat naar U leidt).

    7:16
  8. ثُمَّ لَآتِيَنَّهُمْ مِنْ بَيْنِ أَيْدِيهِمْ وَمِنْ خَلْفِهِمْ وَعَنْ أَيْمَانِهِمْ وَعَنْ شَمَائِلِهِمْ ۖ وَلَا تَجِدُ أَكْثَرَهُمْ شَاكِرِينَ

    Vervolgens benader ik hen langs voor en langs achter, van links en van rechts. En de meesten van hen zult U niet als dankbare (gelovigen) ontmoeten.”

    7:17
  9. قَالَ اخْرُجْ مِنْهَا مَذْءُومًا مَدْحُورًا ۖ لَمَنْ تَبِعَكَ مِنْهُمْ لَأَمْلَأَنَّ جَهَنَّمَ مِنْكُمْ أَجْمَعِينَ

    (Allah) zei (tegen Iblies): “Verlaat dit (paradijs) verworpen en uitgebannen. Wie van (de mensheid) jou volgt, daar zal Ik zeker de hel mee vullen.”

    7:18
  10. وَيَا آدَمُ اسْكُنْ أَنْتَ وَزَوْجُكَ الْجَنَّةَ فَكُلَا مِنْ حَيْثُ شِئْتُمَا وَلَا تَقْرَبَا هَٰذِهِ الشَّجَرَةَ فَتَكُونَا مِنَ الظَّالِمِينَ

    “En, o Adam! Woon met je vrouw in het paradijs en eet wat jullie beiden wensen, maar nader niet deze boom, want anders zullen jullie beiden tot de onrechtvaardigen behoren.”

    7:19
  11. فَوَسْوَسَ لَهُمَا الشَّيْطَانُ لِيُبْدِيَ لَهُمَا مَا وُورِيَ عَنْهُمَا مِنْ سَوْآتِهِمَا وَقَالَ مَا نَهَاكُمَا رَبُّكُمَا عَنْ هَٰذِهِ الشَّجَرَةِ إِلَّا أَنْ تَكُونَا مَلَكَيْنِ أَوْ تَكُونَا مِنَ الْخَالِدِينَ

    Toen fluisterde Shaytaan hen beiden in om te onthullen wat er van hun schaamte over was. En hij zei: “Jullie Heer heeft jullie deze boom slechts verboden (uit ‘afkeer’) dat jullie anders in engelen zouden veranderen of tot de onsterfelijken zouden behoren.”

    7:20
  12. وَقَاسَمَهُمَا إِنِّي لَكُمَا لَمِنَ النَّاصِحِينَ

    En hij (Shaytaan) zwoer hen bij Allah: “Waarlijk, ik ben slechts jullie oprechte adviseur.”

    7:21
  13. فَدَلَّاهُمَا بِغُرُورٍ ۚ فَلَمَّا ذَاقَا الشَّجَرَةَ بَدَتْ لَهُمَا سَوْآتُهُمَا وَطَفِقَا يَخْصِفَانِ عَلَيْهِمَا مِنْ وَرَقِ الْجَنَّةِ ۖ وَنَادَاهُمَا رَبُّهُمَا أَلَمْ أَنْهَكُمَا عَنْ تِلْكُمَا الشَّجَرَةِ وَأَقُلْ لَكُمَا إِنَّ الشَّيْطَانَ لَكُمَا عَدُوٌّ مُبِينٌ

    Zo misleidde hij hen door verwarring. Toen zij van de boom geproefd hadden, werd datgene wat voor hun schaamte verborgen was geweest voor hen duidelijk en zij begonnen de bladeren van het paradijs samen te voegen voor henzelf. En hun Heer riep hen (zeggende): “Heb Ik jullie die boom niet verboden en jullie verteld: “Waarlijk, Shaytaan is een openlijke vijand voor jullie?”

    7:22
  14. قَالَا رَبَّنَا ظَلَمْنَا أَنْفُسَنَا وَإِنْ لَمْ تَغْفِرْ لَنَا وَتَرْحَمْنَا لَنَكُونَنَّ مِنَ الْخَاسِرِينَ

    Zij zeiden: “O Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan (d.m.v. zonden). Als U ons niet vergeeft en ons Uw genade niet schenkt, dan zullen wij zeker tot de verliezers behoren.”

    7:23
  15. قَالَ اهْبِطُوا بَعْضُكُمْ لِبَعْضٍ عَدُوٌّ ۖ وَلَكُمْ فِي الْأَرْضِ مُسْتَقَرٌّ وَمَتَاعٌ إِلَىٰ حِينٍ

    (Allah) zei: “Daal af, ieder van jullie is een vijand voor de ander. Op aarde zal er een woonplaats voor jullie zijn en - voor een zekere tijd – vermaak.”

    7:24
  16. قَالَ فِيهَا تَحْيَوْنَ وَفِيهَا تَمُوتُونَ وَمِنْهَا تُخْرَجُونَ

    Hij zei: “Daar zullen jullie leven en daar zullen jullie sterven en daarvan zullen jullie op gebracht worden.”

    7:25

Vertaling: Nederlands Islamitisch Centrum