Soera 3 Aal-Imraan (De Familie van Imraan), vers 36 – 37

  1. فَلَمَّا وَضَعَتْهَا قَالَتْ رَبِّ إِنِّي وَضَعْتُهَا أُنْثَىٰ وَاللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا وَضَعَتْ وَلَيْسَ الذَّكَرُ كَالْأُنْثَىٰ ۖ وَإِنِّي سَمَّيْتُهَا مَرْيَمَ وَإِنِّي أُعِيذُهَا بِكَ وَذُرِّيَّتَهَا مِنَ الشَّيْطَانِ الرَّجِيمِ

    Nadat ze haar kind (Maryam) ter wereld had gebracht, zei ze: “O, Mijn Heer! Ik ben bevallen van een meisje – en Allah wist beter van wie zij was bevallen, maar het mannelijke (waar zij om had gesmeekt) is niet zoals het vrouwelijke – en ik heb haar Maryam genoemd. Ik zoek mijn toevlucht bij U voor haar en voor haar nageslacht tegen Shaytaan, de verworpene.”

    3:36
  2. فَتَقَبَّلَهَا رَبُّهَا بِقَبُولٍ حَسَنٍ وَأَنْبَتَهَا نَبَاتًا حَسَنًا وَكَفَّلَهَا زَكَرِيَّا ۖ كُلَّمَا دَخَلَ عَلَيْهَا زَكَرِيَّا الْمِحْرَابَ وَجَدَ عِنْدَهَا رِزْقًا ۖ قَالَ يَا مَرْيَمُ أَنَّىٰ لَكِ هَٰذَا ۖ قَالَتْ هُوَ مِنْ عِنْدِ اللَّهِ ۖ إِنَّ اللَّهَ يَرْزُقُ مَنْ يَشَاءُ بِغَيْرِ حِسَابٍ

    Dus accepteerde haar Heer haar met vriendelijkheid. Hij liet haar op een goede manier opgroeien en bracht haar onder de hoede van Zacharias. Ieder keer als hij haar kamer binnen kwam om haar te bezoeken, ontdekte hij dat zij voorzien was van levensonderhoud. Hij zei: “O Maryam! Waar heb je dat vandaan?” Zij zei: “Van Allah.” Waarlijk Allah voorziet degenen die Hij wil van levensonderhoud, zonder beperking.

    3:37

Vertaling: Nederlands Islamitisch Centrum