Soera 2 Albaqarah (De Koe), vers 246 – 252

  1. أَلَمْ تَرَ إِلَى الْمَلَإِ مِنْ بَنِي إِسْرَائِيلَ مِنْ بَعْدِ مُوسَىٰ إِذْ قَالُوا لِنَبِيٍّ لَهُمُ ابْعَثْ لَنَا مَلِكًا نُقَاتِلْ فِي سَبِيلِ اللَّهِ ۖ قَالَ هَلْ عَسَيْتُمْ إِنْ كُتِبَ عَلَيْكُمُ الْقِتَالُ أَلَّا تُقَاتِلُوا ۖ قَالُوا وَمَا لَنَا أَلَّا نُقَاتِلَ فِي سَبِيلِ اللَّهِ وَقَدْ أُخْرِجْنَا مِنْ دِيَارِنَا وَأَبْنَائِنَا ۖ فَلَمَّا كُتِبَ عَلَيْهِمُ الْقِتَالُ تَوَلَّوْا إِلَّا قَلِيلًا مِنْهُمْ ۗ وَاللَّهُ عَلِيمٌ بِالظَّالِمِينَ

    Hebben jullie niet gedacht aan de groep van de Kinderen van Israël na Moesa? Toen zij tegen een profeet van hen zeiden: “Wijs voor ons een koning aan en wij zullen op het pad van Allah strijden.” Hij zei: “Zullen jullie je dan van het strijden afhouden, als het strijden jullie voorgeschreven is?” Zij zeiden: “Waarom zullen wij niet op het pad van Allah strijden als wij uit onze huizen zijn verdreven en van onze kinderen?” Maar toen het strijden hen geboden was, keerden zij zich ervan af, allen behalve een paar van hen. En Allah is zich goed bewust van de onrechtvaardigen.

    2:246
  2. وَقَالَ لَهُمْ نَبِيُّهُمْ إِنَّ اللَّهَ قَدْ بَعَثَ لَكُمْ طَالُوتَ مَلِكًا ۚ قَالُوا أَنَّىٰ يَكُونُ لَهُ الْمُلْكُ عَلَيْنَا وَنَحْنُ أَحَقُّ بِالْمُلْكِ مِنْهُ وَلَمْ يُؤْتَ سَعَةً مِنَ الْمَالِ ۚ قَالَ إِنَّ اللَّهَ اصْطَفَاهُ عَلَيْكُمْ وَزَادَهُ بَسْطَةً فِي الْعِلْمِ وَالْجِسْمِ ۖ وَاللَّهُ يُؤْتِي مُلْكَهُ مَنْ يَشَاءُ ۚ وَاللَّهُ وَاسِعٌ عَلِيمٌ

    En hun profeet zei tegen hen: “Waarlijk Allah heeft Taloet voor jullie als koning aangewezen.” Zij zeiden: “Hoe kan hij een koning voor ons zijn als wij beter voor het koningsschap geschikt zijn dan hij en hem is niet genoeg weelde gegeven.” Hij zei: “Waarlijk, Allah heeft hem boven jullie uitverkoren en heeft hem overvloedig in kennis en lichaamskracht laten toenemen. En Allah geeft Zijn koningschap aan wie Hij wil. En Allah is wel voldoende voor de noden van Zijn schepselen, de Alwetende.

    2:247
  3. وَقَالَ لَهُمْ نَبِيُّهُمْ إِنَّ آيَةَ مُلْكِهِ أَنْ يَأْتِيَكُمُ التَّابُوتُ فِيهِ سَكِينَةٌ مِنْ رَبِّكُمْ وَبَقِيَّةٌ مِمَّا تَرَكَ آلُ مُوسَىٰ وَآلُ هَارُونَ تَحْمِلُهُ الْمَلَائِكَةُ ۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً لَكُمْ إِنْ كُنْتُمْ مُؤْمِنِينَ

    En hun profeet zei tegen hen: “Waarlijk! Het teken van Zijn koningsschap is dat er tot jullie de ark des verbonds komt, waarin vrede en zekerheid is van jullie Heer en een overblijfsel van wat Moesa en Haaroen achter is gelaten, gedragen door engelen. Waarlijk, dit is een teken voor jullie die waarlijk gelovigen zijn.

    2:248
  4. فَلَمَّا فَصَلَ طَالُوتُ بِالْجُنُودِ قَالَ إِنَّ اللَّهَ مُبْتَلِيكُمْ بِنَهَرٍ فَمَنْ شَرِبَ مِنْهُ فَلَيْسَ مِنِّي وَمَنْ لَمْ يَطْعَمْهُ فَإِنَّهُ مِنِّي إِلَّا مَنِ اغْتَرَفَ غُرْفَةً بِيَدِهِ ۚ فَشَرِبُوا مِنْهُ إِلَّا قَلِيلًا مِنْهُمْ ۚ فَلَمَّا جَاوَزَهُ هُوَ وَالَّذِينَ آمَنُوا مَعَهُ قَالُوا لَا طَاقَةَ لَنَا الْيَوْمَ بِجَالُوتَ وَجُنُودِهِ ۚ قَالَ الَّذِينَ يَظُنُّونَ أَنَّهُمْ مُلَاقُو اللَّهِ كَمْ مِنْ فِئَةٍ قَلِيلَةٍ غَلَبَتْ فِئَةً كَثِيرَةً بِإِذْنِ اللَّهِ ۗ وَاللَّهُ مَعَ الصَّابِرِينَ

    Toen Taloet met zijn leger optrok, zei hij: “Waarlijk! Allah zal jullie bij een rivier beproeven. Wie daarvan drinkt, behoort niet tot mij en wie daarvan niet proeft, behoort tot mij, behalve degene die daarvan neemt in de holte van zijn hand.” Maar toch dronken zij daarvan, behalve een paar van hen. Dus toen hij het (de rivier) was overgestoken, hij en degenen die hem geloofden, zeiden zij: “Deze dag hebben wij geen macht tegen Djaloet en de zijnen.” Maar degenen die met zekerheid wisten dat zij hun Heer zouden ontmoeten, zeiden: “Hoe vaak heeft een kleine groep al een machtig leger verslagen met Allah Zijn hulp?” En Allah staat aan de kant van de geduldigen (want Zijn hulp komt samen met geduld).

    2:249
  5. وَلَمَّا بَرَزُوا لِجَالُوتَ وَجُنُودِهِ قَالُوا رَبَّنَا أَفْرِغْ عَلَيْنَا صَبْرًا وَثَبِّتْ أَقْدَامَنَا وَانْصُرْنَا عَلَى الْقَوْمِ الْكَافِرِينَ

    En toen zij naderden om Djaloet met zijn leger te ontmoeten, riepen zij: “Onze Heer! Geef ons geduld en maak ons de overwinnaars over de ongelovige mensen.”

    2:250
  6. فَهَزَمُوهُمْ بِإِذْنِ اللَّهِ وَقَتَلَ دَاوُودُ جَالُوتَ وَآتَاهُ اللَّهُ الْمُلْكَ وَالْحِكْمَةَ وَعَلَّمَهُ مِمَّا يَشَاءُ ۗ وَلَوْلَا دَفْعُ اللَّهِ النَّاسَ بَعْضَهُمْ بِبَعْضٍ لَفَسَدَتِ الْأَرْضُ وَلَٰكِنَّ اللَّهَ ذُو فَضْلٍ عَلَى الْعَالَمِينَ

    Dus versloegen zij hen met Allah Zijn hulp en Dawoed doodde Djaloet en Allah gaf hem het koninkrijk en wijsheid en onderwees hem in wat Hij wilde. En als Allah niet een groep mensen door middel van een ander controleert, zal de aarde waarlijk vol ellende zijn. Maar Allah is vol Gave is de bezitter van gunsten voor de wereldwezens.

    2:251
  7. تِلْكَ آيَاتُ اللَّهِ نَتْلُوهَا عَلَيْكَ بِالْحَقِّ ۚ وَإِنَّكَ لَمِنَ الْمُرْسَلِينَ

    Dit zijn de verzen van Allah, Wij reciteren het aan jou met waarheid en waarlijk, jij bent één van de boodschappers.

    2:252

Vertaling: Nederlands Islamitisch Centrum