Soera 28 Al-Qasas (Het Verhaal), vers 36 – 40
-
فَلَمَّا جَاءَهُمْ مُوسَىٰ بِآيَاتِنَا بَيِّنَاتٍ قَالُوا مَا هَٰذَا إِلَّا سِحْرٌ مُفْتَرًى وَمَا سَمِعْنَا بِهَٰذَا فِي آبَائِنَا الْأَوَّلِينَ
Toen Moesa tot hen kwam met Onze duidelijke tekenen zeiden zij: “Dit is niets anders dan bedachte toverkunsten. Hier hebben wij van onze voorvaderen nog nooit van gehoord.”
28:36 -
وَقَالَ مُوسَىٰ رَبِّي أَعْلَمُ بِمَنْ جَاءَ بِالْهُدَىٰ مِنْ عِنْدِهِ وَمَنْ تَكُونُ لَهُ عَاقِبَةُ الدَّارِ ۖ إِنَّهُ لَا يُفْلِحُ الظَّالِمُونَ
Moesa zei: “Mijn Heer kent het beste degene die met leiding van Hem komt, en degenen die een goed einde in het hiernamaals zullen hebben. Waarlijk, de onrechtvaardigen zullen niet slagen.”
28:37 -
وَقَالَ فِرْعَوْنُ يَا أَيُّهَا الْمَلَأُ مَا عَلِمْتُ لَكُمْ مِنْ إِلَٰهٍ غَيْرِي فَأَوْقِدْ لِي يَا هَامَانُ عَلَى الطِّينِ فَاجْعَلْ لِي صَرْحًا لَعَلِّي أَطَّلِعُ إِلَىٰ إِلَٰهِ مُوسَىٰ وَإِنِّي لَأَظُنُّهُ مِنَ الْكَاذِبِينَ
Farao zei: “O vooraanstaande! Ik weet niet dat jullie een andere god naast mij hebben, steek dus voor mij (een vuur) aan, O Hamam om (stenen van) klei te bakken en voor mij een liefelijke toren te bouwen zodat de God van Moesa (ga zoeken) en waarlijk, ik denk dat hij (Moesa) één van de leugenaars is.”
28:38 -
وَاسْتَكْبَرَ هُوَ وَجُنُودُهُ فِي الْأَرْضِ بِغَيْرِ الْحَقِّ وَظَنُّوا أَنَّهُمْ إِلَيْنَا لَا يُرْجَعُونَ
En hij en zijn leger waren hoogmoedig in het land, zonder daartoe recht te hebben – en zij dachten dat zij nooit tot Ons zouden terugkeren.
28:39 -
فَأَخَذْنَاهُ وَجُنُودَهُ فَنَبَذْنَاهُمْ فِي الْيَمِّ ۖ فَانْظُرْ كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الظَّالِمِينَ
Dus grepen Wij hem en zijn leger en Wij gooiden hen allen in de zee. Zie dus wat het einde van de onrechtvaardigen.
28:40
Vertaling: Nederlands Islamitisch Centrum