Soera 27 An-Naml (De Mieren), vers 22 – 45

  1. فَمَكَثَ غَيْرَ بَعِيدٍ فَقَالَ أَحَطْتُ بِمَا لَمْ تُحِطْ بِهِ وَجِئْتُكَ مِنْ سَبَإٍ بِنَبَإٍ يَقِينٍ

    Maar de hop bleef niet lang weg en zei (in alle bescheidenheid): “Ik ben iets te weten gekomen wat jij nog niet weet: ik kom van Saba`, (een stad in Jemen), naar jou toe met waarachtig nieuws.”

    27:22
  2. إِنِّي وَجَدْتُ امْرَأَةً تَمْلِكُهُمْ وَأُوتِيَتْ مِنْ كُلِّ شَيْءٍ وَلَهَا عَرْشٌ عَظِيمٌ

    Ik vond daar een vrouw die over hen heerste, en zij had alles gekregen wat maar in het bezit kan komen van een leider van de aarde en zij heeft een grote troon.

    27:23
  3. وَجَدْتُهَا وَقَوْمَهَا يَسْجُدُونَ لِلشَّمْسِ مِنْ دُونِ اللَّهِ وَزَيَّنَ لَهُمُ الشَّيْطَانُ أَعْمَالَهُمْ فَصَدَّهُمْ عَنِ السَّبِيلِ فَهُمْ لَا يَهْتَدُونَ

    Ik ontdekte dat zij en haar volk de zon aanbaden in plaats van Allah en Shaytaan heeft hun daden schoonschijnend voor hen gemaakt, en heeft hen van (Allah Zijn) weg weggeleid, zodat zij geen leiding hebben,

    27:24
  4. أَلَّا يَسْجُدُوا لِلَّهِ الَّذِي يُخْرِجُ الْخَبْءَ فِي السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَيَعْلَمُ مَا تُخْفُونَ وَمَا تُعْلِنُونَ

    Zodat zij Allah niet aanbidden, Die het licht brengt wat in de hemelen en de aarde verborgen is, en weet wat jullie verbergen en openbaar maken.

    27:25
  5. اللَّهُ لَا إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ رَبُّ الْعَرْشِ الْعَظِيمِ ۩

    Allah, geen heeft het recht om aanbeden te worden behalve Hij, de Heer van de Verheven troon!

    27:26
  6. قَالَ سَنَنْظُرُ أَصَدَقْتَ أَمْ كُنْتَ مِنَ الْكَاذِبِينَ

    (Soeleiman) zei: “Wij zullen zien of jij de waarheid spreekt of dat jij (een) van de leugenaars bent.

    27:27
  7. اذْهَبْ بِكِتَابِي هَٰذَا فَأَلْقِهْ إِلَيْهِمْ ثُمَّ تَوَلَّ عَنْهُمْ فَانْظُرْ مَاذَا يَرْجِعُونَ

    Ga met een brief van mij en geef het aan hen, trek je dan van hen terug en zie wat voor (antwoord) zij aan mij teruggeven.”

    27:28
  8. قَالَتْ يَا أَيُّهَا الْمَلَأُ إِنِّي أُلْقِيَ إِلَيَّ كِتَابٌ كَرِيمٌ

    Zij (de koningin) zei: “O leiders! Waarlijk! Hier is een edele brief aan mij afgegeven.

    27:29
  9. إِنَّهُ مِنْ سُلَيْمَانَ وَإِنَّهُ بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَٰنِ الرَّحِيمِ

    Waarlijk! Het is van Soeleiman en waarlijk! Er (staat): “In de naam van Allah, de meest Barmhartige, de meest Genadevolle;

    27:30
  10. أَلَّا تَعْلُوا عَلَيَّ وَأْتُونِي مُسْلِمِينَ

    Wees niet hoogmoedig tegenover mij, maar kom tot mij als moslims (dus zij die zich overgeven aan zijn wil)."

    27:31
  11. قَالَتْ يَا أَيُّهَا الْمَلَأُ أَفْتُونِي فِي أَمْرِي مَا كُنْتُ قَاطِعَةً أَمْرًا حَتَّىٰ تَشْهَدُونِ

    Zij zei: “O leiders! Adviseer mij in deze zaak van mij. Ik wil niet besluiten tot jullie bij mij zijn.”

    27:32
  12. قَالُوا نَحْنُ أُولُو قُوَّةٍ وَأُولُو بَأْسٍ شَدِيدٍ وَالْأَمْرُ إِلَيْكِ فَانْظُرِي مَاذَا تَأْمُرِينَ

    Zij zeiden: “Wij hebben veel kracht en grote kwaliteiten voor de oorlog, maar jij bent het die het bevel moet voeren, denk dus na wat je zult bevelen.”

    27:33
  13. قَالَتْ إِنَّ الْمُلُوكَ إِذَا دَخَلُوا قَرْيَةً أَفْسَدُوهَا وَجَعَلُوا أَعِزَّةَ أَهْلِهَا أَذِلَّةً ۖ وَكَذَٰلِكَ يَفْعَلُونَ

    Zij zei: “Waarlijk! Zodra de Koningen een stad binnentreden dan zaaien zij verderf daarin en verlagen de eerbaarste onder haar volk. En dat doen zij ook.

    27:34
  14. وَإِنِّي مُرْسِلَةٌ إِلَيْهِمْ بِهَدِيَّةٍ فَنَاظِرَةٌ بِمَ يَرْجِعُ الْمُرْسَلُونَ

    Maar waarlijk! Ik ga hem een cadeau sturen en zal dan zien met wat voor (antwoord) de boodschappers terugkeren.”

    27:35
  15. فَلَمَّا جَاءَ سُلَيْمَانَ قَالَ أَتُمِدُّونَنِ بِمَالٍ فَمَا آتَانِيَ اللَّهُ خَيْرٌ مِمَّا آتَاكُمْ بَلْ أَنْتُمْ بِهَدِيَّتِكُمْ تَفْرَحُونَ

    Dus toen (de boodschapper met het cadeau) bij Soeleiman kwam, zei hij: “Zul jij mij in de weelde helpen? Wat Allah mij heeft gegeven is beter dan wat Hij jullie heeft gegeven! Welnee, jullie verheugen jullie met jullie geschenk!”

    27:36
  16. ارْجِعْ إِلَيْهِمْ فَلَنَأْتِيَنَّهُمْ بِجُنُودٍ لَا قِبَلَ لَهُمْ بِهَا وَلَنُخْرِجَنَّهُمْ مِنْهَا أَذِلَّةً وَهُمْ صَاغِرُونَ

    “Keer naar hen terug. Wij zullen zeker tot hen komen met legers die zij niet kunnen weerstaan en wij zullen hen hier vandaan jagen in ongenade en zij zullen vernederd worden.”

    27:37
  17. قَالَ يَا أَيُّهَا الْمَلَأُ أَيُّكُمْ يَأْتِينِي بِعَرْشِهَا قَبْلَ أَنْ يَأْتُونِي مُسْلِمِينَ

    Hij zei: “O vooraanstaanden! Wie van jullie kan mij haar troon brengen voordat zij tot mij komen als moslims?

    27:38
  18. قَالَ عِفْرِيتٌ مِنَ الْجِنِّ أَنَا آتِيكَ بِهِ قَبْلَ أَنْ تَقُومَ مِنْ مَقَامِكَ ۖ وَإِنِّي عَلَيْهِ لَقَوِيٌّ أَمِينٌ

    Een ‘Ifriet (een sterke djinn) van onder de djinn zei: “Ik zal hem tot jou brengen, voordat u van uw plaats kan opstaan. Want waarlijk, ik ben zeker sterk en betrouwbaar voor die taak.”

    27:39
  19. قَالَ الَّذِي عِنْدَهُ عِلْمٌ مِنَ الْكِتَابِ أَنَا آتِيكَ بِهِ قَبْلَ أَنْ يَرْتَدَّ إِلَيْكَ طَرْفُكَ ۚ فَلَمَّا رَآهُ مُسْتَقِرًّا عِنْدَهُ قَالَ هَٰذَا مِنْ فَضْلِ رَبِّي لِيَبْلُوَنِي أَأَشْكُرُ أَمْ أَكْفُرُ ۖ وَمَنْ شَكَرَ فَإِنَّمَا يَشْكُرُ لِنَفْسِهِ ۖ وَمَنْ كَفَرَ فَإِنَّ رَبِّي غَنِيٌّ كَرِيمٌ

    Degene met kennis van het boek zei: “Ik zal hem u in een oogwenk bezorgen.” En toen (Soelaymaan) het voor zich geplaatst zag, zei hij: “Dit is door de gunst van mijn Heer.” – om mij te beproeven of ik dankbaar of ondankbaar ben! En iedereen die dankbaar is, waarlijk zijn dankbaarheid is voor zichzelf en iedereen die ondankbaar is. Zeker! Mijn Heer is Rijk, meest Edel”

    27:40
  20. قَالَ نَكِّرُوا لَهَا عَرْشَهَا نَنْظُرْ أَتَهْتَدِي أَمْ تَكُونُ مِنَ الَّذِينَ لَا يَهْتَدُونَ

    Hij zei: “Maak haar troon onherkenbaar voor haar zodat wij kunnen zien of zij geleid wordt of dat ze tot degenen zal behoren zijn die niet geleid worden.”

    27:41
  21. فَلَمَّا جَاءَتْ قِيلَ أَهَٰكَذَا عَرْشُكِ ۖ قَالَتْ كَأَنَّهُ هُوَ ۚ وَأُوتِينَا الْعِلْمَ مِنْ قَبْلِهَا وَكُنَّا مُسْلِمِينَ

    Toen zij dus kwam werd er (tegen haar) gezegd: “Lijkt uw troon hierop?” Zij zei: “(Het is) alsof het hetzelfde is.” En (Soeleiman zei): “Kennis (over Allah) was ons gegeven vóór haar en wij waren moslims (aan Allah onderworpen).

    27:42
  22. وَصَدَّهَا مَا كَانَتْ تَعْبُدُ مِنْ دُونِ اللَّهِ ۖ إِنَّهَا كَانَتْ مِنْ قَوْمٍ كَافِرِينَ

    En dat wat zij gewend was naast Allah te aanbeden heeft haar weerhouden (van de Islam, want alle profeten waren moslims), want zij was van het ongelovige volk.

    27:43
  23. قِيلَ لَهَا ادْخُلِي الصَّرْحَ ۖ فَلَمَّا رَأَتْهُ حَسِبَتْهُ لُجَّةً وَكَشَفَتْ عَنْ سَاقَيْهَا ۚ قَالَ إِنَّهُ صَرْحٌ مُمَرَّدٌ مِنْ قَوَارِيرَ ۗ قَالَتْ رَبِّ إِنِّي ظَلَمْتُ نَفْسِي وَأَسْلَمْتُ مَعَ سُلَيْمَانَ لِلَّهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ

    Er werd vervolgens tegen haar gezegd: “Treed de glazen oppervlakte (met water daaronder) maar toen zij het zag, dacht zij dat het water was en zij maakte haar onderbenen bloot, Soeleiman zei: “Waarlijk, het is een binnenplaats gemaakt van glas.” Zij zei: “Mijn Heer! Waarlijk, ik heb mijzelf onrecht aangedaan en ik onderwerp mij, gezamenlijk met Soeleiman aan Allah, de Heer van de werelden."

    27:44
  24. وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا إِلَىٰ ثَمُودَ أَخَاهُمْ صَالِحًا أَنِ اعْبُدُوا اللَّهَ فَإِذَا هُمْ فَرِيقَانِ يَخْتَصِمُونَ

    En voorwaar, Wij hebben aan de Thamoed hun broeder Saleh gestuurd, zeggende: “Aanbid Allah.” Dan zie! Zij werden twee groepen redetwistten met elkaar.

    27:45

Vertaling: Nederlands Islamitisch Centrum