Soera 25 Al-Forqaan (Het Onderscheidingsmiddel), vers 27 – 29

  1. وَيَوْمَ يَعَضُّ الظَّالِمُ عَلَىٰ يَدَيْهِ يَقُولُ يَا لَيْتَنِي اتَّخَذْتُ مَعَ الرَّسُولِ سَبِيلًا

    En (gedenk) de dag waarop de onrechtvaardige in zijn handen zal bijten en zal zeggen: “O! Had ik maar het pad met de Boodschapper genomen!”

    25:27
  2. يَا وَيْلَتَىٰ لَيْتَنِي لَمْ أَتَّخِذْ فُلَانًا خَلِيلًا

    Ah! Wee mij! Had ik die-en-die maar niet tot vriend genomen.

    25:28
  3. لَقَدْ أَضَلَّنِي عَنِ الذِّكْرِ بَعْدَ إِذْ جَاءَنِي ۗ وَكَانَ الشَّيْطَانُ لِلْإِنْسَانِ خَذُولًا

    Hij heeft mij zeker laten afdwalen van de vermaning (de Islam) nadat deze tot mij gekomen is. En de Shaytaan laat altijd degenen in het uur van de nood in de steek.”

    25:29

Vertaling: Niederländisches Islamisches Zentrum